Mensenrechten en de internationale handel
Dit artikel is het derde van een serie artikelen over de ingrijpende veranderingen die plaatsvinden in de Europese dual-use verordening. In dit artikel bespreken we mensenrechten en de internationale handel.

Door Loes van Kan-Janson, senior consultant bij RSM International
Een belangrijke verandering in de nieuwe dual-use verordening voor exporteurs is de toevoeging van het concept ‘menselijke veiligheid’. In de nieuwe verordening komt dit aan bod in toevoegingen met betrekking tot mensenrechten en het internationaal humanitair recht (ook wel het IHR of ‘oorlogsrecht’ genoemd).
Lidstaten kunnen op dit moment al uit mensenrechtenoverwegingen een vergunningplicht instellen voor zogenaamde non-listed dual-use items. In de nieuwe verordening wordt gespecificeerd dat dit ook het voorkomen van terrorisme aangaat. Verder werken in de nieuwe verordening de aanpassingen met betrekking tot mensenrechtenoverwegingen voornamelijk door in de controle op cybersurveillancesoftware en -technologie, in de besluitvorming aangaande de vergunningverlening en in de zogenaamde catch-all, oftewel de vangnetclausule. Onder de catch-all vallen transacties met producten die niet nader zijn beschreven in de verordening; de non-listed dual-use items.
Een omstreden toevoeging
Tijdens het proces van de herziening van de dual-use verordening waren niet-gouvernementele organisaties, waaronder Access Now en Amnesty International, grote voorstanders van toevoegingen met betrekking tot mensenrechten en het IHR. Deze organisaties pleitten onder andere voor het opnemen van verschillende criteria uit Europese mensenrechtenrichtlijnen.
De omvang van deze criteria zoals opgenomen in de uiteindelijke nieuwe verordening, is significant kleiner dan opgenomen in het initiële voorstel. Volgens een statement gepubliceerd in maart 2021 door onder andere Amnesty International, Reporters Without Borders en Human Rights Watch, betekent dit een ‘gemiste kans’ voor het tegengaan van de export van surveillancematerialen naar repressieve regimes. De uitdaging bij de introductie van mensenrechten als afwegingskader voor vergunningen, is het verduidelijken van welke mensenrechten zouden moeten worden benadrukt. In de nieuwe verordening wordt het risico van ‘gebruik in verband met binnenlandse repressie of het plegen van ernstige schendingen van de internationale mensenrechten en het IHR’ standaard onderdeel van het afwegingskader bij de vergunningverlening, in het bijzonder voor cybersurveillance items. De vrees is echter dat het hanteren van algemene criteria zoals ‘ernstige schendingen’ zal leiden tot een interpretatie die van lidstaat tot lidstaat verschilt. Daardoor kan het beoogde effect van de nieuwe verordening, namelijk meer harmonisatie tussen de lidstaten, worden ontkracht.
Vluchtelingen uit het Midden-Oosten op het hoofdstation van Boedapest
Gevolgen voor de vergunningverlening
Op het gebied van mensenrechten en het IHR geeft de nieuwe verordening de vergunningverlener (in Nederland is dit de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer, CDIU) vooral aanvullende handvatten om aanvragen te beoordelen. Criteria die hierbij een rol zullen spelen zijn onder meer: 1. Het respect voor mensenrechten en het IHR in het land van bestemming; 2. De interne veiligheidssituatie in het land van eindbestemming; 3. Het behoud van regionale vrede, veiligheid en stabiliteit.
Het zal voor de exporteur van belang zijn om, bijvoorbeeld bij het aangaan van een contract, rekening te houden met deze criteria. Het spreekt voor zich dat zowel het screenen van derde partijen als het beoordelen van bovenstaande criteria hierin een belangrijk onderdeel vormen.
Verder zal de implementatie van een Intern Compliance Programma (ICP) in principe een eis worden voor het verlenen van een globale uitvoervergunning. De CDIU hanteert deze eis reeds op grond van artikel 4 van de uitvoeringsregeling strategische goederen, waardoor deze nieuwe eis om een ICP te implementeren vanuit Nederlands oogpunt vooral bijdraagt aan een gelijk speelveld in de Unie.
Gevolgen voor de vangnetclausule
Op dit moment zijn exporteurs wettelijk verplicht om voorafgaand aan een uitvoer melding te maken van enige wetenschap dat de producten gebruikt zouden kunnen worden voor massavernietigingswapens of, in bepaalde gevallen, voor een militair eindgebruik.
Oorspronkelijk zou deze meldingsplicht voor alle dual-use items verbreed worden naar een mogelijk gebruik met betrekking tot binnenlandse repressie en/of ernstige schendingen van mensenrechten of het IHR.
In de uiteindelijke herziening geldt deze vangnetclausule echter uitsluitend voor cybersurveillance items. Hierdoor worden de administratieve lasten bij de due diligence, zeker voor het mkb, beperkt. Hoewel iedereen onder de Sanctiewet 1977 en andere specifieke sanctiewetgeving reeds verplicht is ervoor te zorgen dat transacties in lijn zijn met de geldende sancties op landen en personen, wordt in de nieuwe vangnetclausule de plicht tot een gedegen due diligence (diepgaand onderzoek) in het geval van cybersurveillance items nog eens extra benadrukt. Het is daarom belangrijk voor exporteurs om de huidige interne processen betreffende het screenen van klanten en andere derde partijen te evalueren en, indien nodig, aan te scherpen. Dit kan onder andere worden gedaan door gebruik te maken van nieuwe richtlijnen, die de Europese Commissie naar verwachting beschikbaar zal maken ten tijde van het van kracht worden van de nieuwe verordening.