Mensenrechten en de internationale handel

In een nieuwe serie bespreekt Loes Janson de moderniseringsplannen van de Europese Commissie voor de dual-use-verordening. In het tweede artikel bespreken we mensenrechten en de internationale handel.

Door Loes Janson consultant Trade Compliance & FEC bij Philip Sidney.

In het voorstel tot herziening van de Europese dual-useverordening, worden op meerderegebieden ingrijpende veranderingen verwacht. De belangrijksteverandering voor exporteurs is de toevoeging van het concept‘menselijke veiligheid’. In het voorstel komt dit aan bod intoevoegingen met betrekking tot mensenrechten en hetinternationaal humanitair recht (ook wel het IHR of ‘oorlogsrecht’genoemd).

De aanpassingen werken voornamelijk door in de controle op cybersurveillancesoftware en -technologie, in de besluitvorming aangaande de vergunningverlening en in de zogenaamde catch-all, oftewel de vangnetclausule. Het is vooral deze laatste clausule welke exporteurs de grootste zorgen baart. Onder deze clausule vallen transacties met producten die niet nader zijn beschreven in de verordening, de zogenaamde ‘non-listed dual-use items’. Lidstaten kunnen op dit moment al uit mensenrechtenoverwe-gingen een vergunningplicht instellen voor non-listed dual-use items (op basis van artikel 8.1 van de dual-use-verordening), maar in de huidige regelgeving worden mensenrechten en het IHR nog niet expliciet genoemd.


Een omstreden toevoeging

Tijdens het proces van de herziening van de dual-use-verordening waren NGO’s, waaronder Access Now en Amnesty International,

grote voorstanders van toevoegingen met betrekking tot mensenrechten en het IHR. Zij pleitten onder andere voor het opnemen van verschillende criteria uit Europese mensenrechten

richtlijnen. Andere belanghebbenden pleitten daarentegen juist voor het weglaten van deze criteria, en in plaats daarvan voor het

opstellen van een ‘zwarte’ en ‘witte’ lijst van ontvangers.



Een uitdaging bij de introductie van mensenrechten als afwegingskader, is het verduidelijken van welke mensenrechten zouden moeten worden benadrukt. Aan de ene kant wordt beargumenteerd dat de nadruk vooral zou moeten liggen bij binnenlandse repressie. Voor goederen die hierbij gebruikt kunnen worden is een lijst opgesteld, naar welke vandaag wordt gerefereerd binnen verschillende sanctieverordeningen.


Het gaat hier vooral om mogelijkheden tot grove schending van de algemene rechten en de rechten van arrestanten, beklaagden en gedetineerden, zoals het martelverbod, bescherming van personen en het verbod op willekeurige arrestatie en detentie.


Aan de andere kant wordt beargumenteerd dat het afwegingskader breder zou moeten zijn, en dat mensenrechten zoals de bescherming van de privacy, vrijheids- en participatierechten ook binnen het focusgebied dienen te liggen. In het voorstel tot herziening wordt aangevoerd dat de Raad en Europese Commissie in samenwerking met de lidstaten richtlijnen en/of aanbevelingen beschikbaar zullen maken voor de vergunningverleners, om de praktische implementatie van de criteria rondom mensenrechten en het IHR te verduidelijken.



Vluchtelingen uit het Midden-Oosten op het hoofdstation van Boedapest

Deze richtlijnen zouden gelijktijdig met de herziening moeten worden gepubliceerd. Het is echter nog niet duidelijk in welke vorm dit zal gebeuren. De vrees is dat het hanteren van algemene criteria zal leiden tot een interpretatie die van lidstaat tot lidstaat verschilt, waardoor het doel van deze herziening, namelijk harmonisering van het ten uitvoer brengen van de Europese dual-use-verordening, juist belemmerd wordt.


Gevolgen voor de vergunningverlening

Op het gebied van mensenrechten en het IHR geeft het voorstel voor herziening de vergunningverlener vooral aanvullende handvatten om aanvragen te beoordelen. Nieuwe criteria die hierbij een rol zullen spelen zijn onder andere:


  • Het respect voor mensenrechten en het IHR in het land van bestemming;
  • De interne veiligheidssituatie in het land van eindbestemming; en
  • Het behoud van regionale vrede, veiligheid en stabiliteit.


Het zal voor de exporteur van belang zijn om, bijvoorbeeld bij het aangaan van een contract, rekening te houden met deze criteria. Verder zal de implementatie van een intern complianceprogramma een eis worden voor de verlening

van een globale uitvoervergunning. Het spreekt voor zich dat zowel screening van derde partijen als de beoordeling van bovenstaande criteria hierin een belangrijk onderdeel vormen.


Gevolgen voor de vangnetclausule

Op dit moment zijn exporteurs wettelijk verplicht om voorafgaand aan een uitvoer melding te maken van enige wetenschap dat de producten gebruikt zouden kunnen worden voor massavernietigingswapens of, in bepaalde gevallen, voor een militair eindgebruik.

Bij het van kracht worden van de herziening zal deze meldingsplicht worden verbreed naar een mogelijk gebruik door personen verantwoordelijk voor-, of betrokken bij ernstige schendingen van mensenrechten of het IHR.


Hoewel iedereen onder de Sanctiewet 1977 en andere specifieke sanctiewetgeving reeds verplicht is ervoor te zorgen dat transacties in lijn zijn met de geldende sancties op landen en personen, wordt in de nieuwe vangnetclausule de plicht tot een gedegen due-diligence (diepgaand onderzoek) nog eens extra benadrukt.


Het is daarom belangrijk voor exporteurs om de huidige interne processen betreft screening van klanten en andere derde partijen te evalueren en, indien nodig, aan te scherpen.